Godendressing

 

,,Alle rek raakt uit mijn bh-bandjes door al dat gehos en gespring!’’

schreeuw ik in het oor van mijn vriendin.

Ze knikt me welwillend toe maar ze verstaat er geen woord van.

Dat zie ik aan haar gezicht.

Feestbeest Henk Bakker heeft de volumeknoppen van zijn apparatuur op standje ‘knetterhard’ gezet.

Het dreunt in mijn maag.

In La Strada aan de Kennemerstraatweg is het mutje vol.

Twee koren en een accordeonvereniging.

En als je je al ergens zorgen over maakt, dan jenst de muziek al dat geprietpraat er wel uit.

Je kunt niet anders dan meehossen, meehuppelen, meespringen, meedeinen.

Tot de dood erop volgt.

 

Het is zondagochtend en ik ben dôôd!

Mijn benen willen geen kant meer op.

Ik heb ze levenloos op een kussentje gelegd om bij te komen van een wilde avond.

Het was me gisteren het dagje wel.

Voorafgaand aan het volksfeest in café La Strada liepen we chique rond te stappen in het Hilton Hotel in Amsterdam.

Ik krijgt daar altijd automatisch iets koelbloedigs.

Iets van: ,,Ik heb de hele wereld gezien, Muiderberg niet meegerekend!’’

En ook: ,,Moet jij eens durven te zeggen dat ik uit de provincie kom!’’

We bemachtigen de mooiste parkeerplek die we ons maar kunnen wensen, we krijgen twee luxe lederen fauteuils aan het raam toebedeeld en we maken een keuze uit de lunchkaart, waar zich alleen voor een enkele croûton in de soep al een prijsverhoging aankondigt van €5,75.

 

,,Wilt u peper?’’ vraagt de juffrouw die onze carpaccio met salade en parmezaanse kaas er wel wat saai uit vindt zien.

Omdat we een dagje uit zijn willen we alles!

,,Jawel’’ zeggen wij en jawel, de grote pepermolen wordt tevoorschijn gehaald en we krijgen wat ons toekomt.

Peper dus.

Peper mág in mijn dieet.

Daarover hoefde ik me dus niet schuldig te voelen.

De carpaccio mag ook, zo ook de sla, maar de bijbehorende godendressing is uit den boze.

Ik heb nog even geprobeerd het goddelijke druipsel met mijn papieren zakdoek van mijn gerecht te deppen.

Maar bij nader inzien vond ik dat toch niet zo chique.

 

 

De modeshow van Mart Visser is even spetterend en spectaculair als vorig jaar.

We zitten nu niet op de eerste rij, maar krijgen een magnifieke plek op de tweede rij. Een treetje omhoog. Een plaatsje minder in de pikorde?

Zo voelt het voor mij niet.

,,Het heeft zo zijn voordelen’’ fluister ik mijn vriendin troostrijk toe.

,,Op de eerste rij moet je steeds met je knieën tegen elkaar zitten. Hier kunnen we gewoon wijdbeens……’’

Ons gekregen tasje met spulletjes past nu met gemak tussen onze voeten.

Wat erin zit weet niemand.

Het zal geen uierzalf wezen.

Maar het is onbehoorlijk om het gegeven paard nu al in de bek te kijken.

Ondertussen brandt iedereen van nieuwsgierigheid.

Daar zijn we vrouwen voor.

Er zijn overigens ook een hoop mannen.

Die moeten later allemaal met een vrouw naar huis, die niet kan tippen aan de modellen die over de catwalk paraderen.

Beetje triest.

Ze mogen mee vanwege hun dikke portemonnee.

,,Hoeveel schelen die twee?’’ vraagt mijn vriendin als er een blonde stoot binnenkomt met een veel oudere man.

,,Wil jij dat, zo’n hangbuikzwijntje in je bed?’’ reageer ik.

En we zijn weer voor een tijdje tevreden.

 

De mannequins zijn superslank en de hele zaal voelt zich onmiddellijk tonnetje rond.

Wat we aan ons voorbij zien trekken is anorexia vulgaris in de overtreffende trap.

Maar mooi!!!!!

De show van Mart Visser is een droom in het kwadraat.

Al zou ik in een donker hoekje worden weggefrommeld: ik zou er zijn!

 

Na de show rijden we chique nog even een extra rondje langs de entree van het Hilton Hotel.

Je bent er of je bent er niet.

En voor onze bolide hoeven we ons niet te schamen.

Terug naar de provincie.

Op naar Heiloo waar we onze auto, maar nu onopgemerkt, kunnen parkeren voor de deur van La Strada.

Met de hautaine houding van die middag lopen we de kroeg binnen en lopen er net zo hard weer uit.

Tsjezus, het zal toch niet waar zijn.

Wat een gribus!

Een eind verderop zijn restaurantjes.

Wordt ons gezegd.

Zonder jas trotseren we de kou. Het zou niet ver zijn.

Maar ver is het wel, onze schoenen knellen en we hebben het koud.

Restaurantjes zijn er inderdaad. Allemaal klein en allemaal vol.

Báálen!

Alleen bij de shoarmatent kunnen we terecht.

Sterker nog: daar is niemand.

Houten keukentafeltje met houten stoeltjes.

We krijgen wel een placemat.

Van papier.

Een meisje neemt onze bestelling op.

Mijn vriendin wil het liefst shoarma zonder shoarma.

Maar dat hebben ze niet.

We stillen onze honger.

Meer niet.

,,Dit is een dag van uitersten’’ zegt mijn vriendin, terwijl de inhoud van mijn Turkse Tosti op mijn schoot lekt.

Als we naar buiten stappen regent het.

Godallemachtig!

 

TERUG