De natuurramp die hotelkamer heet

 

Zet mij op een hotelkamer en ik wil dood.

Het dessin van de gordijnen doet mijn wereld instorten.

 

Eenmaal plaatsgenomen in het oh, zo kien uitgedachte badkamertje besef ik, zittend op het toilet met mijn schouder pijnlijk tegen de wasbak en mijn knieën opgetrokken klem tegen de deur, dat het leven diepe dalen kent.

En daar moet ík doorheen!

 

Zo sliepen we deze zomer een nachtje in Arlon.

De terugreis vanuit Zuid Frankrijk had ons daar gebracht.

Arlon is doorrijden naar huis, vind ik, maar mijn man dacht daar anders over.

,,We blijven hier vannacht slapen’’ zei hij, wijzend op het bordje ‘Pas gerenoveerd’.

De kamer zag er niet afschrikwekkend uit.

Het had erger gekund.

Maar dat er, op twintig centimeter afstand over de totale lengte van het bed, een royale schuifkast was geplaatst met spiegelramen, bezorgde me een acute aanval van depressiviteit.

Jezelf zo nabij zien na veertien dagen half pension in een Van der Valk-hotel is vragen om moeilijkheden.

 

Ons raam kijkt altijd uit op een blinde muur, het zwembad is altijd gesloten, de keuken is net dicht, de lift is stuk (met excuses), de trap net geverfd en het personeel heeft een offday.

 

In een conferentieoord in Drente kwam het hele gordijn met rail en al naar beneden.

 

En altijd is er een bruiloft in de zaal onder ons.

 

 

Ooit sliep ik twee nachten in een kloostercel in Egmond-Binnen.

Vier muren, een stalen bed, een hard matras en twee grijze paardendekens.

Linnengoed zelf meebrengen.

Het enige opbeurende element was de wasbak aan de muur.

Uit de kraan kwam koud stromend water waarmee ik mijn behuilde ogen kon deppen.

 

In Maastricht sliep ik in een maisonnette:

zithoek en badkamer beneden, slaapkamer boven.

’s Nachts in het donker op de tast naar de wc.

Dat ik nog lééf!!!!

 

En altijd lijkt het alsof de vloerbedekking er al 541 jaar ligt.

Hoe het schoonmaakpersoneel ook zijn best doet, de vlekken worden met iedere zuigbeurt zichtbaarder.

Geen beginnen aan, dus laten ze de hoekjes en gaatjes voor wat ze zijn en doe je er goed aan je koffer niet onder het bed te zetten.

Of ‘ie groen is of rood, hij komt er grijs onder vandaan.

 

Ik leef in een hotel altijd vanuit mijn koffer.

Veilig gevoel.

Voor het geval iemand roept dat we naar huis gaan.

Dan ben ik zó weg!

Niets zo verrukkelijk als de thuisreis.

Je kunt mij niet gelukkiger maken.

 

En toch heb ik sinds kort de oplossing gevonden.

Ik sleep gezellige kussentjes met me mee, kaarsjes, waxinelichtjes, bloemen,  pindarotsjes in een schaaltje, waterkoker, theezakjes, kopjes, een cd-speler met sfeermuziek, fles chardonnay met een glas, bitterlemon voor mijn man, foto van thuis, massageolie, geurspray, zacht toiletpapier, stapel tijdschriften en kussensloop met bloemmotief.

En als ik dat laatste nou over mijn hoofd leg, dan gaat het wel.

TERUG