Kastanjes rapen

 

,,Als jullie met z’n honderden volgende week nou allemaal een beetje inschikken, dan komen er nog 25 accordeonisten bij en dan gaan we met z’n allen lekker meebrullen. En dan houden we ook een verloting voor een goed doel: een hangplek voor ouderen!’’

 Onze dirigent. Dat is me er één.

Met een enkele opmerking legt hij het hele koor plat van het lachen dan wel  krijgt hij het hele bestuur van ‘lekker wenen’ over de huppel.

Toen hij riep dat hij over een half jaar op z’n minst in Ahoy wilde staan, werd daar gemakshalve geen acht op geslagen.

Maar bij het woordje ‘loterij’ slaat plotsklaps iedereen op tilt.

 Het onderwerp wordt serieus besproken tijdens de bestuursvergadering.

Er moeten maatregelen getroffen worden, er moet worden ingegrepen, er moet duidelijkheid komen.

We nemen besluiten die er niet om liegen.

We zijn ineens vergeten dat het erom ging iedereen een lekker en opgeruimd gevoel te geven.

Het tegenovergestelde is het resultaat.

Verkramping alom.

Er wordt gebeld, gesmst, gemaild, gezucht en gemopperd.

En dan denk ik:

 waar, mensen van ‘wenen in holland’, waar is de gulle lach gebleven?

Een verloting gaat NIET ten koste van de repetitietijd.

Een verloting hou je om een optreden of concert heen.

Voor aanvang zet je de te winnen prijzen klaar.

In de pauze verkoop je de lootjes.

4 voor de prijs van 3.

Na afloop worden de nummertjes getrokken en kunnen de prijzen worden opgehaald.

Niets meer en niets minder.

Wij hebben in de afgelopen jaren met onze muzikale kinderen heel wat donateurconcerten en dus verlotingen meegemaakt.

Mijn man vindt dat geweldig.

Hij zit zo mogelijk op de eerste rij en steunt de club met de aankoop van een onmogelijke hoeveelheid lootjes.

,,Ik rook niet en ik drink niet’’ roept hij ter verontschuldiging als ik hem bedenkelijk aankijk.

Onze kinderen genieten en hebben daar, zo is mijn stellige overtuiging, hun stralende en verwachtingsblije oogopslag aan overgehouden.

Spanning ten top als mijn man opnieuw zijn zakgeld van máánden spendeert aan handenvol opgerolde fietsenstallingkaartjes.

We winnen dus ook altijd een prijs.

Vaak meerdere.

Onze garage, want verder kwam het spul niet, puilt sindsdien uit van de ondefinieerbare stukken zeep, monsterlijke kaarsenstandaards, wit uitgeslagen dozen Belgische bonbons, kop en schotels met grootmoeders motief en vazen die je zelf nooit zou kopen en dus ook nooit gebruikt.  

Veel van die rotzooi wilde ik niet mee naar huis.

,,Je wint maar een stuk in de rondte, maar ik wil die troep niet om me heen’’ was mijn stelregel.

Onze kinderen begrepen daar in het begin niets van.

Hun glunderende blik maakte plaats voor ongeloof en afschuw om zulk een hardvochtige houding.

Ze gingen wel kijken naar wat we hadden gewonnen, maar als ze met hun grijpgrage handjes naar de gewonnen prijs begonnen te wijzen, greep ik hard in.

 ,,Laten staan’’ riep ik dan. ,,Is bah!!’’ 

De hoofdprijs: een slagroomtaart, hebben we overigens nooit gewonnen.

Al zou je dat niet zeggen.

Inmiddels heb ik mijn mede-bestuursleden aangeraden zich niet verder in de problematiek te verdiepen.

Het is beter kastanjes te gaan rapen.

Of, zo heb ik ze voorgesteld, we kunnen boterhamzakjes vullen met water en die tegen de ramen gooien van de buren!!

Ik kreeg louter positieve reacties.

Van mijn kinderen oogstte ik pas vele jaren later begrip.

 

TERUG