Een heerlijk middagje kleindochteren

 

Iedere maandagmiddag haal ik mijn kleindochter uit school.

Dat is geen plicht, dat is een voorrecht.

De hele middag ben ik onrustig en loop ik op mijn klokje te kijken.

Ik wil geen tel te laat komen.

Op het schoolplein wacht ik in spanning tot ze naar buiten komt.

Regen, wind, het deert me niet.

Al wachtend knoop ik gesprekjes aan met andere opa’s en oma’s die staan te wachten.

Op contact met jonge moeders hoef je niet te rekenen.

Die komen veelal op het laatste moment hijgend aanhollen.

Of ze hebben een andere dreumes aan de hand die de aandacht opeist.

Geen tijd, geen tijd.

,,Ik vind het een opgave’’ zegt een opa tegen me, als we samen op het bankje zitten naast de zandbak.

,,Wee je gebeente als m’n kleinzoon zich een gat in z’n kop valt en ik kan niet precies uitleggen hoe het is gebeurd! Ik vind het een zware verantwoordelijkheid. Wij hebben zelf ook drie kinderen groot gebracht maar dat ging toch heel anders.’’

,,Ach ja, de moderne tijd’’ zeg ik. ,,Alles gaat anders vandaag de dag. Maar daarom niet minder leuk. Ik geniet er wel van.’’

,,Kan wel wezen’’ moppert mijn generatiegenoot verder. ,,Maar ik heb artrose en mijn gewrichten staan me niet toe om hard achter mijn kleinkind aan te hollen. Dat joch is watervlug. Ik ben altijd te laat.’’

,,Kinderen hebben een beschermengeltje op hun schouder zitten. Soms moet je daar maar op vertrouwen.’’

,,Ja’’ moppert hij nog even door ,,het zal wel moeten, maar…..’’

Het gesprek stokt.

De deur van de school zwaait open en juf stapt naar buiten met dertig dik aangeklede kindertjes achter zich aan.

 

Mijn kleindochter heeft een roze jasje aan.

En een sjaal in vrolijke Ollily-kleurtjes.

Ik herken haar uit duizenden.

Mooie meid, lang haar, grote ogen, beetje verlegen.

Ze houdt een tekening in haar handen gedrukt.

Ik loop naar haar toe en verpletter haar onder mijn liefdesuitingen.

Ze laat het stoďcijns over zich heenkomen.

,,Ik heb in de bouwhoek gespeeld’’ zegt ze.

Ze lacht.

We lopen hand in hand het schoolplein af, met moeite een grote plas ontwijkend.

Het liefst zouden we er samen doorheen stampen.

Lekker spatten.

Feest!

Ik zet haar achter op mijn fiets, haar voetjes in mijn zijtassen.

Ze houdt me vast en we rijden zingend naar huis.

We benoemen alles wat we onderweg tegenkomen:

 ,,Schaapjes oma’’,

,,Kijk, de bus! Zitten er mensen in?’’

 Thuis drinken we een kopje thee, vaste prik, en maken plannen voor de rest van de middag.

,,Koekjes bakken’’ roept ze.

,,En ik wil ook chocola.’’

We peuzelen een mandarijntje en zetten de ingrediënten op het aanrecht voor koekjes met een Alfred Jodokus Kwak-versiering.

Daarna breekt het grote knoeifestijn los.

Want ze kan alles zelf: roeren, eieren breken, kneden, melk toevoegen, suiker wegen, deegrollen.

En dat alles in omgekeerde volgorde.

Door mijn onzichtbare doch doordringende ingrijpen hier en daar verschijnt er op het bakblik uiteindelijk toch iets dat op koekjes lijkt.

Ze zet de oven aan en we pakken twee stoelen: we gaan heerlijk samen voor het ruitje zitten wachten tot de koekjes klaar zijn.

Ondertussen vertelt ze honderduit: hoe het was op school, dat er een bal uit de kerstboom is gevallen, dat juf lief is, dat haar broer weer beter is en dat ze nu een tekening gaat maken voor mamma.

 

Als het verlossende belletje klinkt zijn de koekjes klaar.

Heet uit de oven zijn ze het lekkerst.

Dat weet ze óók.

We dekken feestelijk de tafel, met mooie schoteltjes en nog een kopje thee erbij en we smikkelen tot er bijna niets meer te smikkelen is.

De laatste koekjes worden fraai ingepakt.

Ze mogen mee naar huis.

 

Als pappa haar komt halen valt ze moe tegen hem aan:

,,Ik ben een beetje misselijk’’ zegt ze.

Ze is vier.

TERUG